Geen bewerkingssamenvatting |
|||
| Regel 1: | Regel 1: | ||
Geboren in Haarlem. | Geboren Haarlem, Noord-Holland. Marie Hellema Verhoeven-Schmitz was een Nederlandse schrijfster van romans en gedichten. Ze was de dochter uit het in 1883 gesloten huwelijk tussen smid Jan Hendrik Schmitz (Haarlem 27 februari 1834-Haarlem 27 januari 1884) en Maria Hillena Clausing (Haarlem 26 maart 1858-Dordrecht 7 oktober 1940). Een aantal jaren na het overlijden van haar vader verhuisde Marie in 1890 op zevenjarige leeftijd met haar moeder van Haarlem naar Dordrecht. Ze betrokken een woning in de Koningin Wilhelminastraat. Na de lagere school bezocht Marie de HBS, waar ze in 1902 eindexamen deed. Vervolgens werkte ze op het kantoor van de Gasmeterfabriek aan de Lijnbaan. Daarna begon ze met schrijven. Eerst schreef ze verhalen die in kranten en tijdschriften werden gepubliceerd. | ||
In 1907 debuteerde ze met een dichtbundel, maar naar eigen zeggen heeft ze geschreven 'van kind af aan', al was er van een literaire traditie in haar familie geen sprake. Later ging ze romans schrijven waar ze grote bekendheid mee verwierf. Ze schreef psychologische romans en novellen, jeugd- en meisjesboeken. In 1921 schreef ze de autobiografische roman ''Marietje''. Deze roman werd een groot succes en gaf haar een plaats in de Nederlandse literatuur. Het boek werd vertaald en was ook succesvol in het buitenland. Ook ''Het groote heimwee'' uit 1929 was een van haar succesvolle romans die vele malen werd herdrukt. | |||
Ze schreef vanuit een niet-Christelijke spirituele belevingswereld. In haar romans richtte zij zich voornamelijk op vrouwelijke personages. De novelle ''De open tuin'' uit 1928 is een van haar weinige romans met een man als hoofdpersoon. Ze had inmiddels haar kantoorbaan opgezegd en moest nu schrijven om te kunnen leven. Ze werd ook letterkundig recensent aan de NRC waarin ze kritieken schreef. Ze deed dit tot op hoge leeftijd. Voor de AVRO-radio besprak ze boeken en ze hield lezingen over literatuur. | |||
Marie trad op 30 juli 1919 te Dordrecht in het huwelijk met de veelzijdige kunstschilder en –handelaar Leendert Adrianus (Leen) Verhoeven (Dordrecht 11 oktober 1883-Dordrecht 31 juli 1932), zoon van loodgieter Cornelis Verhoeven (1857-1941) en Aartje Leeuwenburg (1858-1912). Het huwelijk van Marie en Leen is kinderloos gebleven. Schmitz was zeer goed bevriend met de andere Dordtse schrijfster Top Naeff. | |||
Een buitenproportioneel grote vuurdoorn voor het raam ontnam voorbijgangers het zicht op het huis van Marie. Ze werkte zelf in de donkere en bomvolle voorkamer. Marie werd door Aart omschreven als gedecideerd, bruusk en niet bepaald toegankelijk. Als familieleden in de oorlog op bezoek kwamen, werd er al snel vriendelijk, maar op besliste toon gevraagd of men weer kon vertrekken. Onderling contact was in de laatste oorlogsmaanden extra lastig, dus direct na de bevrijding bezocht Aart - om te weten hoe het met haar ging - zijn tante andermaal. | |||
In 1953 werd ze geridderd in de Orde van Oranje-Nassau voor haar letterkundig werk en ook voor haar gedrag in de Tweede Wereldoorlog. In haar benedenwoning had ze een Joodse man en zijn zoontje laten onderduiken. | |||
Overleden te Dordrecht, Zuid-Holland. | |||
Huidige versie van 24 aug 2026 20:32
Geboren Haarlem, Noord-Holland. Marie Hellema Verhoeven-Schmitz was een Nederlandse schrijfster van romans en gedichten. Ze was de dochter uit het in 1883 gesloten huwelijk tussen smid Jan Hendrik Schmitz (Haarlem 27 februari 1834-Haarlem 27 januari 1884) en Maria Hillena Clausing (Haarlem 26 maart 1858-Dordrecht 7 oktober 1940). Een aantal jaren na het overlijden van haar vader verhuisde Marie in 1890 op zevenjarige leeftijd met haar moeder van Haarlem naar Dordrecht. Ze betrokken een woning in de Koningin Wilhelminastraat. Na de lagere school bezocht Marie de HBS, waar ze in 1902 eindexamen deed. Vervolgens werkte ze op het kantoor van de Gasmeterfabriek aan de Lijnbaan. Daarna begon ze met schrijven. Eerst schreef ze verhalen die in kranten en tijdschriften werden gepubliceerd.
In 1907 debuteerde ze met een dichtbundel, maar naar eigen zeggen heeft ze geschreven 'van kind af aan', al was er van een literaire traditie in haar familie geen sprake. Later ging ze romans schrijven waar ze grote bekendheid mee verwierf. Ze schreef psychologische romans en novellen, jeugd- en meisjesboeken. In 1921 schreef ze de autobiografische roman Marietje. Deze roman werd een groot succes en gaf haar een plaats in de Nederlandse literatuur. Het boek werd vertaald en was ook succesvol in het buitenland. Ook Het groote heimwee uit 1929 was een van haar succesvolle romans die vele malen werd herdrukt.
Ze schreef vanuit een niet-Christelijke spirituele belevingswereld. In haar romans richtte zij zich voornamelijk op vrouwelijke personages. De novelle De open tuin uit 1928 is een van haar weinige romans met een man als hoofdpersoon. Ze had inmiddels haar kantoorbaan opgezegd en moest nu schrijven om te kunnen leven. Ze werd ook letterkundig recensent aan de NRC waarin ze kritieken schreef. Ze deed dit tot op hoge leeftijd. Voor de AVRO-radio besprak ze boeken en ze hield lezingen over literatuur.
Marie trad op 30 juli 1919 te Dordrecht in het huwelijk met de veelzijdige kunstschilder en –handelaar Leendert Adrianus (Leen) Verhoeven (Dordrecht 11 oktober 1883-Dordrecht 31 juli 1932), zoon van loodgieter Cornelis Verhoeven (1857-1941) en Aartje Leeuwenburg (1858-1912). Het huwelijk van Marie en Leen is kinderloos gebleven. Schmitz was zeer goed bevriend met de andere Dordtse schrijfster Top Naeff.
Een buitenproportioneel grote vuurdoorn voor het raam ontnam voorbijgangers het zicht op het huis van Marie. Ze werkte zelf in de donkere en bomvolle voorkamer. Marie werd door Aart omschreven als gedecideerd, bruusk en niet bepaald toegankelijk. Als familieleden in de oorlog op bezoek kwamen, werd er al snel vriendelijk, maar op besliste toon gevraagd of men weer kon vertrekken. Onderling contact was in de laatste oorlogsmaanden extra lastig, dus direct na de bevrijding bezocht Aart - om te weten hoe het met haar ging - zijn tante andermaal.
In 1953 werd ze geridderd in de Orde van Oranje-Nassau voor haar letterkundig werk en ook voor haar gedrag in de Tweede Wereldoorlog. In haar benedenwoning had ze een Joodse man en zijn zoontje laten onderduiken.
Overleden te Dordrecht, Zuid-Holland.
